‘Hoi Marian, met Donna’
‘Donna, met mij’
Ik weet meteen dat het mis is.
Marian klinkt niet als zichzelf. Haar stem klinkt zacht en trillerig. Kwetsbaar zou je wel kunnen zeggen.
‘Donna..’ Voor de tweede keer noemt ze mijn naam.
‘..kun je nu naar het UMC komen?’
Mijn hart slaat een paar slagen over. Het UMC is een ziekenhuis in Utrecht. Gelukkig kom ik er nauwelijks, maar bij UMC weet ik wel dat het mis is.
‘Wat is er dan?’ Ik herken ook mijn eigen stem niet meer.
‘Je kunt beter zo snel mogelijk deze kant op komen, Donna’
Ik kan er niks aan doen, maar het irriteert me dat ze bij elke zin mijn naam noemt.
‘Marian, wat is er gebeurd?’ Ik probeer mezelf te herpakken en hoor aan de andere kant van de lijn hoe Marian haar keel schraapt.
‘Het is Floris, Donna. Hij heeft een ongeluk gehad en het ziet er niet goed uit’.

Ik ren de hal door waar de receptioniste me naar toe heeft verwezen. De spoedeisende hulp is niet ver van waar ik binnen ben gekomen, maar het lijken de 5 langste minuten uit mijn leven.
Aan het einde van de gang zie ik een ruimte waar Marian met haar hoofd in haar handen op een blauwe stoel zit. Ze is helemaal alleen.
Als ze me ziet, staat ze op en komt mijn kant op. Ze slaat haar armen om me heen en verbergt haar gezicht in mijn schouder.
‘Oh Donna. En het was niet eens zijn schuld.’
Als ze haar hoofd weer optilt zie ik haar gezicht. Ze lijkt wel 10 jaar ouder dan de vorige keer dat ik haar zag. En dat is twee weken geleden.
‘Wat is er gebeurd? Waar is Floris? Kan ik naar hem toe?’
Marian gebaart dat ik naast haar moet komen zitten, maar dat wil ik niet. Ik wil naar Floris. Ik wil weten wat er is gebeurd.
Marian slikt een paar keer voor ze begint te vertellen. ‘Hij was onderweg van zijn meeting terug naar Utrecht. Bij die bosweg achter ons huis is hij vol geraakt door een vrachtwagen.’
Met grote ogen kijk ik Marian aan. De bosweg staat bekend als een weg waar idioot hard wordt gereden. Nu weet ik dat Floris er zelf ook wat van kan, maar bij hem staat veiligheid altijd voorop.
‘Floris wordt nu geopereerd. Hij heeft inwendige bloedingen en verschillende botbreuken. Ik ben meteen hier heen gekomen toen ze me belden, maar de doktoren konden me niet meer vertellen dan dat wat ik je nu vertel. Oh Donna, ik vind het zo erg.’
‘Maar het komt wel weer goed toch?’ Ik klink als een meisje van 10, maar ik weet niet wat ik moet zeggen.
‘Ik weet het niet, Donna. Ik hoop het. Ruud is onderweg en ik probeer Anne-Fleur steeds te bellen maar ze neemt niet op.’
‘Waarom hebben ze mij niet gebeld?’
‘Ze hebben je gebeld, maar je nam niet op.’
‘Wat stom! Ik dacht dat het weer van die goede doelen waren. Oh wat erg!’
‘Ze hebben mij toch kunnen bereiken. En het had niets aan de situatie veranderd, dus neem jezelf niets kwalijk.’
De tranen springen in mijn ogen.

Marian vertelt dat ze wel een ambulance hoorde toen ze thuis zat te lezen, maar er natuurlijk geen enkel moment bij heeft nagedacht dat het om Floris zou gaan.
Ik luister, knik af en toe maar verder weet ik me geen houding te geven. Ik heb een onrustig gevoel en voel me misselijk.
‘Ik ga even mijn gezicht bijwerken, ik ben zo terug.’ Marian geeft me een klopje op mijn knie voordat ze opstaat en loopt dan naar het damestoilet.
Ik pak mijn telefoon uit mijn tas.

Inmiddels is het bijna half 10. We zitten al meer dan 2 uur te wachten en nog steeds geen nieuws.
Sophie had broodjes voor ons meegenomen en is net weer naar huis gegaan. We kunnen verder toch niets.
Het was toch wel fijn dat ze er was. Floris’ ouders zijn super lief maar Sophie ken ik al vanaf de basisschool. Ze is als een soort zus voor me en weet me vaak weer op te beuren. Maar vandaag wist ze zelf ook niet zo goed wat ze moest doen. Toch vond ik het fijn om haar bij me te hebben.
Sophie is al jaren mijn beste vriendin.
Ik noem haar ook wel eens een levende zon. Ze is altijd positief, staat dag en nacht voor iedereen klaar en is goudeerlijk.

Ruud en Anne-Fleur zijn ondertussen ook in het ziekenhuis. Ruud staat bij het raam wezenloos voor zich uit te staren en Anne-Fleur zit bij haar moeder.
Floris lijkt qua uiterlijk precies op zijn vader. Dezelfde halflange donkere haren, strakke kaaklijn en lengte van bijna 2 meter.
Wat betreft karakter is Floris net zijn moeder. Zorgzaam, lief en een tikkeltje eigenwijs.
Anne-Fleur is wat dat betreft een vreemde eend in de bijt. Met haar lichtblonde krullen lijkt ze in geen enkel opzicht op haar ouders of op Floris. Het is een pittige dame die precies weet wat ze wil. Ze handbalt op hoog niveau en dat is ook zo’n beetje het enige waar ze interesse in toont.
Ik moet zeggen dat het me verbaasd dat ze überhaupt is gekomen vanavond.

Ik ijsbeer wat door de gang en denk aan gisteravond. Floris had voor me gekookt en we hadden het zo gezellig.
We hebben het zelfs gehad over samenwonen.
Het was een tijd geleden dat we zo’n fijne avond hebben gehad. Floris is momenteel heel druk op zijn werk, wat voor de nodige spanningen zorgt. Ik ben natuurlijk supertrots op hem en vind het te gek dat hij het zo goed doet maar ik zou het ook wel fijn vinden als hij soms wat meer interesse in mij toont. Nu weet ik echt wel dat dat mannen-eigen is, maar ik heb hem nog niet eens over mijn auditie kunnen vertellen. Ik voel de tranen weer achter mijn ogen prikken.

Om 5 minuten over 10 gaat voor de zoveelste keer de klapdeur open, maar nu komt er een arts onze kant op lopen.
Hij heeft een lange witte jas aan en draagt een blauwe bril. Het maakt hem een beetje streng, maar toch oogt hij vriendelijk.
Hij loopt in de richting van Marian, zet zijn bril af en schraapt zijn keel:
‘Familie Rovers? Misschien kunt u allen beter even gaan zitten…’

Wil jij een seintje wanneer het volgende deel online staat?
Schrijf je hier in voor Donna’s Update en je wordt als eerste op de hoogte gehouden wanneer er een nieuw deel online staat!